
Süd-Tirol, of Zuid-Tirol, is een interessante regio in Italië. Hier vind je majestueuze bergen, prachtige dorpen en stadjes, eeuwenoude tradities plus heerlijk eten en drinken. Wij reisden voor een paar dagen af naar Noord-Italië met als uitdaging om buiten de gebaande paden te blijven.
Inhoudsopgave
De reden daarvoor is dat delen van Süd-Tirol al behoorlijk populair zijn voor zowel Italianen als internationale reizigers. Veel van deze vakantiegangers besluiten dan vervolgens ook precies te doen wat de rest van de massa doet. Dat terwijl andere delen van de regio minstens zo interessant zijn, maar veel minder of geen bezoekers trekken. Vandaar dat wij hebben gekozen om andere delen van de regio te verkennen of juist dingen te doen die nog redelijk onbekend zijn. Ben je dus op zoek naar leuke, afwijkende tips over Süd-Tirol? Dan zit je hier goed. Wil je juist lezen over de overbekende hotspots? Dan kan Google je daar ongetwijfeld bij helpen.
Logeren in Bolzano
We kiezen ervoor om tijdens onze reis op één plek te overnachten. Wel zo handig. Hiervoor kiezen we de hoofdstad van de provincie Süd-Tirol: Bolzano. Dat is trouwens de Italiaanse naam van de stad, want in het Duits heet het Bozen. Süd-Tirol is namelijk tweetalig. Het verschilt per plek welke taal de overhand heeft. In Bolzano is dat het Italiaans, maar even verderop is het weer Duits. In sommige delen van de regio spreekt men overigens nog een derde taal: het Ladinisch.
Er zijn verschillende manieren om vanuit Nederland in Bolzano te komen. Wij kiezen voor de optie om te vliegen naar Innsbruck en vanuit daar met de huurauto verder te gaan. Innsbruck heeft een lekker klein vliegveld, dus je loopt makkelijk en snel vanuit de aankomsthal naar de locatie waar de autoverhuurbedrijven zitten. In no time zit je op de weg. Via de beroemde en prachtige Brennerpas (nee, we hebben Henk Wijngaard niet opgezet onderweg) ben je in een kleine twee uur in Bolzano. De natuur onderweg is langs de hele route van een grote schoonheid: bergen, valleien, mooie dorpjes en veel kastelen.
Het laatste gedeelte van de route in Bolzano is nogal bijzonder te noemen, want de stad heeft de laatste jaren heel veel gedaan aan de infrastructuur. Zodoende rijden we het laatste stuk door een gigantisch complex van ondergrondse parkeergarages tot de ingang van ons hotel. Heel fijn en praktisch. Het Falkensteiner Hotel Bozen Waltherpark is in 2025 geopend en heeft alles wat we nodig hebben. De kamers zijn mooi luxe en hebben een prachtig uitzicht. Het restaurant (tevens bar en ontbijtzaal) met dakterras is echt geweldig. Niet vreemd als je bedenkt dat de Britse architect David Chipperfield verantwoordelijk was voor het ontwerp.

We kiezen ervoor om vanuit Bolzano steeds dagtripjes te maken met de auto, om aan het einde van de middag weer terug te keren in de stad. Zodoende gaan we elke avond uit eten in Bolzano en kunnen we zeggen dat liefhebbers van goed eten hier zeker aan hun trekken komen. Op een zomeravond staan overal in de smalle straatjes van de oude stad tafels buiten waaraan mensen aan het eten zijn. Hieraan merk je dus dat je in Italië bent.
Eten in Bolzano
En als je in Italië bent, moet je natuurlijk een keer goede pizza hebben gegeten. In Bolzano moet je daarvoor naar Alto Pizza, een onlangs geopend restaurant in een luxe hotel. Wij aten in een half open buitenplaats onder een eeuwenoud houten plafond met beschilderingen. De pizza’s zijn gemaakt met zuurdesem en hebben verse lokale producten als toppings. Denk aan kaas uit de regio, de lokale specialiteit speck en paddenstoelen.
De tweede avond aten we op het terras van Löwengrube, dat al bestaat sinds 1543! Dit restaurant scoort een 14 bij Gault & Millau. De gerechten zijn typisch Zuid-Tirol, met zowel invloeden uit de bergen als uit mediterraan Italië. Natuurlijk is de wijnkaart dik in orde. Ons culinaire avontuur in Bolzano sloten we af bij restaurant Vögele, een begrip in de stad. Wederom een prachtig oud interieur en een kaart voor klassiekers uit het Alpengebied. Michelin gaf dit restaurant een Bib Gourmand. Qua eten zit je dus echt heel goed in Bolzano.
Val Gardena
In totaal maken we drie dagtrips tijdens onze reis in Süd-Tirol. Als eerste rijden we in zo’n drie kwartier naar het misschien wel beroemdste dal van de regio: Val Gardena. We parkeren in het leuke stadje Ortisei (Duits: Sankt Ulrich, Ladinisch: Urtijëi). Het centrum is autovrij en de dag dat we er zijn is er een markt. Erg leuk om dus even rond te kijken. Het is hier wel behoorlijk toeristisch en daar moet je wel rekening mee houden. Ons doel was om buiten de gebaande paden te blijven en daarom duiken we cultuurhuis Luis Trenker in aan de Via Rezia. In dit gebouw vind je expositieruimtes, de plaatselijke VVV en ruimtes waar je workshops kunt volgen. Dat laatste is waarvoor we hier zijn.

Val Gardena staat bekend om zijn houtsnijwerktraditie. In een workshop mogen we zelf aan de slag. Op een stuk onbewerkt hout maken we eerst een eenvoudige tekening (wij kiezen voor een appel, andere deelnemers voor een bloem of hart) om vervolgens deze driedimensionaal uit te hakken. Erg leuk en bevredigend om te doen. Onze leraar geeft tips en biedt hulp. Na afloop zijn we behoorlijk trots op het resultaat, al zijn we natuurlijk amateurs vergeleken met de lokale ambachtslieden en kunstenaars. Dat zal ook later op de dag blijken, maar eerst is het tijd voor een welverdiende lunch.

Daarvoor gaan we naar Da Checco, wat je een hidden gem in het dorpje kunt noemen. Je moet echt even weten waar het restaurant zit, maar deze zoektocht is de moeite waard. We lopen eerst door het onlangs gerenoveerde restaurant om op het terras uit te komen. De osteria zit iets hoger tegen de berg dan de rest van het dorp, waardoor je een mooi uitzicht hebt op de daken van Ortisei én natuurlijk de prachtige bergen. We eten onder andere een heerlijke gnocchi met lokale kaas en verse truffel.
Op bezoek bij Aron Demetz
Als we vanaf Ortisei weer terug rijden richting Bolzano, stoppen we bij het eerste gehucht dat we tegenkomen. Hier wonen (vrijwel) geen mensen, omdat dit een Zona Artigianale Pontives is. Een bedrijventerrein met veel workshops van ambachtslieden. In een markant gebouw (Pontives Nord, 13), dat eerst dienst deed als fabriek voor voertuigen die de pistes in de bergen kunnen prepareren en onderhouden, zit nu een meubelmaker én het atelier van kunstenaar Aron Demetz.
Na een lokale opleiding houtbewerken in Ortisei volgde Demetz een vervolgopleiding Akademie der Bildenden Künste in Neurenberg. Sindsdien koppelt hij lokale technieken aan hedendaagse kunst. Aron Demetz brak internationaal door in 2009 toen hij Italië mocht vertegenwoordigen tijdens de 53ste Biënnale van Venetië. Sindsdien is zijn werk wereldwijd te zien in galeries en musea. Ondanks de internationale roem is hij het liefst gewoon lekker aan het werk in zijn atelier. Hier worden we met open armen ontvangen voor een rondleiding en een praatje over zijn werk.

Allereerst zien we een werk waar de kunstenaar op dit moment mee bezig is. Het is een mensfiguur op ware grootte van sequioahout, dat een typisch roodbruine kleur heeft. Bij nadere bestudering zien we dat de figuur iets tussen zijn handen heeft. Demetz legt uit dat dit een ‘winter’ is. Een veel terugkerend thema in zijn werk is het slechts tonen van de winterring van het hout. Als je een jaarring in het hout bekijkt, is dat de dunne donkere lijn. Hiermee combineert hij op prachtige wijze zowel het robuuste van een groot stuk van een sequoia met het kwetsbare van een dunne winter.
Na een rondleiding door het atelier en het bekijken van zowel de voorraad hout als het gereedschap van de kunstenaar gaan we naar het deel waar werken staan opgeslagen. Zo krijgen we heel mooi chronologisch een samenvatting van de carrière van Aron Demetz. Hij vertelt vol passie over de verschillende technieken die hij door de jaren heeft gebruikt. Van het in de brand steken van zijn sculpturen tot het behandelen van het hout met verschillende gereedschappen.
Echt indrukwekkend om alles van zo dichtbij te zien. Een heel andere ervaring dan de steriele white cube van een museum en dan ook nog eens met de best mogelijk denkbare gids. Het mooie is dat Aron Demetz in principe zijn deuren voor iedereen open heeft, zolang hij aanwezig is. Hij heeft wel graag dat je van te voren een mail stuurt om je komst aan te kondigen.
Even snel naar Ötzi
Terug in Bolzano besluiten we om nog snel langs te gaan bij misschien wel de bekendste inwoner van de stad: ijsmummie Ötzi (niet te verwarren met de gelijknamige après-ski-DJ). Twee bergwandelaars vonden in 1991 hoog in de bergen op de grens van Oostenrijk een lichaam. Deze was bloot te komen liggen, omdat er in de dagen ervoor Saharazand naar de bergen was gewaaid en zodoende sneeuw had doen verdwijnen. Eerst dacht men dat dit het lijk was van een deserteur uit de Tweede Wereldoorlog, maar uiteindelijk wees onderzoek uit dat het lichaam uit ongeveer 3300 voor Christus kwam.
Bijzonder is de uitrusting die Ötzi bij zich had, waaronder een koperen bijl, waarvan men dacht dat men dat in die tijd nog niet kon maken. In het Südtiroler Archäologiemuseum / Museo Archeologico dell’Alto Adige aan de Via Museo kun je alles te weten komen over de vondst van Ötzi, de voorwerpen bekijken die hij bij zich had en tot slot het lichaam zelf bekijken. Erg interessant allemaal. Door ons bezoek aan Ötzi hadden we overigens geen tijd om langs het Museion (het museum voor moderne en hedendaagse kunst) te gaan. Dat moet dus maar een volgende keer.
Het ongerepte Sarntal
De volgende dagtrip vanuit Bolzano gaat naar het Sarntal (of Val Sarentino), een dal ten noorden van de stad, waar het veel rustiger is dan in Val Gardena. We rijden een flink stuk door het prachtige dal om in het dorpje Reinswald/San Martino uit te komen. Het laatste stuk van de rit gaat flink omhoog met haarspeldbochten. Bovenaan is een grote parkeerplaats en een kabelbaan die ons nog hoger brengt. In de winter is het hier best druk, maar buiten het wintersportseizoen een flink stuk rustiger. Een ideale plek dus voor een stevige hike in de bergen.
We starten op een hoogte van 2130 meter en maken nog een flink aantal meters omhoog (en weer omlaag). Samen met een gids wandelen we eerst naar de top van de Sattele, waar een groot houten kruis bovenop staat. Dat voelt dus echt als serieus wandelen in de bergen. De route is te doen voor iedereen met een goede conditie en wat ervaring in de bergen. Je volgt niet echt een pad, maar gaat van markering naar markering over rotsachtig terrein, waar soms wat geklauterd moet worden. Ga dus altijd goed voorbereid de bergen in.

Vanaf Sattele gaan we nog hoger richting de toppen Plattenjoch en Plankenhorn om halverwege af te dalen naar het bergmeertje Plattensee. Onderweg is het uitzicht adembenemend mooi. Vanwege de hoogte hebben we regelmatig uitzicht in 360 graden en zien we zowel bergen en gletsjers in Oostenrijk als de kenmerkende bergtoppen van Val Gardena. Onderweg komen we ook flink wat koeien tegen. Moe maar voldaan keren we na flink wat uren terug naar restaurant Pichlberg bij de kabelbaan. Iedereen die wel eens een serieuze hike heeft gedaan, weet hoe goed het eten smaakt na afloop. Dat is hier ook zeker het geval.
Ben je minder goed ter been of ben je met kleine kinderen? Ga dan ook zeker naar boven. Je kunt ervoor kiezen om bij het restaurant te blijven en daar op het terras te zitten of een kortere wandeling te maken die geschikt is voor kinderwagens en rolstoelen.
Sarner Jangger
Ook in dit dal maken we op de terugweg een stop om ons te verdiepen in een lokale ambacht. Dit keer is dat het bewerken van wol. Hiervan maken ze bijvoorbeeld de Sarner Jangger, een wollen vest dat wind- en waterdicht is. Bij Wollmanufaktur Unterweger aan de Europastraße / Via Europa in Sarnthein verkopen ze de mooiste en beste. In de winkel treffen we Albert Unterweger, de huidige eigenaar van het familiebedrijf. Hij vertelt ons vol trots alles over de producten die hij maakt én natuurlijk over de keer dat het beroemde modehuis Fendi hem vroeg om samen een tas te ontwerpen en maken. Naast de Jangger maakt hij warme sloffen (Sarner Toppar) en prachtige wollen dekens. Ook krijgen we een demonstraties op een oude kaardmolen. Hierbij vertelt Albert dat ze in het bedrijf alles zelfstandig en met de hand doen. Mooi dat dit soort bedrijven nog bestaan.

Oberbozen op het Ritten-hoogplateau
De laatste trip van de reis gaat naar het Ritten-hoogplateau. Deze mooie plek is eenvoudig te bereiken vanaf Bolzano. Vlak bij het station van de stad kun je met een kabelbaan naar het plateau op circa 1.220 meter hoogte. Let onderweg goed op, want vanaf de gondel kun je een glimp opvangen van de unieke aardpiramiden, een bijzonder geologisch verschijnsel. In 12 minuten brengt de Rittner Seilbahn je naar boven. Direct bij het eindstation vind je een paar prachtige hotels, waarvan er een (Parkhotel Holzner) een restaurant met een groene Michelinster heeft.

Je kunt kiezen om vanaf hier direct een wandeling te maken of je pakt de lokale smalspoortrein. De Rittner Schmalspurbahn rijdt vanaf hier naar het dorpje Klobenstein (Collalbo). Daar strijken we neer voor een pauze in het Lintner Café voor koffie met zelfgemaakte taart. Je kunt er ook voor kiezen om bij een van de kleine stations onderweg uit te stappen om daar aan een wandeling te beginnen. Je kunt bijvoorbeeld naar de eerder genoemde aardpiramiden wandelen of juist verder omhoog te bergen in. Wie het rustig aan wil doen, kan ook kiezen voor de vlakke Freud-Promenade: een wandelroute vernoemd naar Sigmund Freud, die in 1911 in Oberbozen verbleef en hier wandelde om tot rust te komen.
Naast toeristen kom je hier in de zomer ook veel inwoners van Bolzano tegen die op deze hoogte ontsnappen aan de warmte in de stad. In de winter kun je vanaf hier naar de Rittner Horn om te skiën. Zo zie je: deze regio is enorm veelzijdig. Ook als je niet de geijkte hotspots uit de reisgidsen volgt.






























